De tuin. Een familieroman in brieven

Een aantal jaar geleden deed iemand die ik via via kende, stamboomonderzoek, onder meer naar de familie Treurniet. Ook mijn moeder was een Treurniet. Deze onderzoeker vond de overlijdensadvertentie van een jongetje dat slechts één jaar oud geworden was en waar de namen van mijn grootouders onder stonden. Niemand in de familie had ooit van dit jongetje, Hendrikje, gehoord.

Zoals dat gaat in het hoofd van een schrijver, ging mijn fantasie aan het werk. Wat zou er gebeurd kunnen zijn?  Waarom was het geheim gehouden? Er zijn helaas geen mensen meer om het aan te vragen. Daarom ben ik er over gaan schrijven.

De tuin beschrijft wat er gebeurd zou kunnen zijn. Het drama is helemaal aan mijn fantasie ontsproten. De omstandigheden zijn wel zoals ze in die tijd waren. En mijn oma had een zus met wie ze lief en leed deelde. Het leek mij een mooi uitgangspunt voor een verhaal in briefvorm. Voor de komst van e-mail was ik ook een fervent brievenschrijver en ik lees ze nog steeds graag.

In de tijd waarin zich afspeelt, de jaren twintig van de vorige eeuw, was het dé manier om geliefden op te hoogte te houden van het wel en wee.

Guusje, de hoofdpersoon van De tuin, gaat aan het werk in het huishouden van een tuinder in Berkel en Rodenrijs. Het gezin waarin ze opgroeit, woont in een klein bovenhuis in Rotterdam-Zuid en dit is de eerste keer dat ze buiten de stad komt. Op haar enige vrije middag, de zondag, schrijft ze lange brieven aan haar zus Cootje. Ze schrijft over het gezin waar ze zo hard voor werkt en over het reilen en zeilen van een tuinderij. De vrouw des huizes is ernstig ziek en als na een aantal duidelijk wordt dat ze niet meer beter zal worden, stelt ze een vraag aan Guusje. Die vraag zal haar leven voorgoed veranderen.

Hoe het verder gaat zal ik hier niet vertellen. Maar het leven van veel mensen komt op zijn kop te staan. Ook Cootje gaat schrijven, aan haar nichtje Alie. Zij moet zoveel geheimen bewaren dat ze een uitlaatklep nodig heeft. De moeder van de meisjes is het niet erg eens met de gang van zaken en lucht haar hart in brieven aan haar broer.

Ook voor dit boek heb ik het nodige onderzoek gedaan. Het is dan wel fictie, maar de historische context moet wel kloppen. Zo moest ik uitzoeken hoe Guusje vanuit Rotterdam_Zuid in Berkel en Rodenrijs kon komen. En of ze al telefoon hadden (niet) en een toilet binnenshuis (dat wel, maar het was iets uitzonderlijks en daarom het vermelden waard).

De meeste research betrof de tuinbouw in de jaren twintig. Zelf heb ik in de jaren 70 nog bij mijn opa in de tuin bakjes gepapierd, maar 50 jaar eerder ging het er heel anders aan toe. Er werden andere gewassen verbouwd (druiven in plaats van tomaten) en al het werk ging met de hand. Veel stond buiten in plaats van in de kas, en de kassen die er waren zagen er heel anders uit. Allerlei mooie voorbeelden daarvan staan in het Westlands museum, in Honselersdijk.

Met dit boek heb ik geprobeerd een ode te brengen  aan het leven van mijn voorouders en tegelijk een spannend en ontroerend verhaal te vertellen.

 

Meer informatie over de geschiedenis van de tuinbouw in het West- en Oostland:

westlandsmuseum.nl

Land van glas, een familiegeschiedenis – Koen van Wijk